Huishoudelijk reglement en fokprogramma

Inhoud:

Voorwoord

Punt 1. Het beoogde fokdoel

Punt 2. Stamboekreglement

Punt 3. Stamboekregistratie

Punt 4. Indeling van het Stamboek

Punt 5. Keuringen

Punt 6. Rasstandaard Fries Melkschaap, wit

Punt 7. Rasstandaard Fries Melkschaap, zwart

Punt 8. Bijlagen

8.1. Aanbevolen selectieregime voor het fokken op terugdringen TSE- gevoeligheid.

8.2. Fokdoel melkproductie en overige eigenschappen

8.3. Fokwaarde

8.4. Paringssysteem

8.5. Organisatie van de fokkerij

8.6. Financiering

8.7. Technisch jaarverslag

Voorwoord

De afgelopen jaren is er in de ledenvergaderingen discussie geweest over een aantal punten uit vorige documenten: Fokprogramma/Huishoudelijk Reglement d.d. februari 2012 en Stamboekreglement d.d. mei 2006. Deze documenten zijn indertijd in de jaarvergadering vastgesteld. De besluiten uit de jaarvergaderingen van 2017 en 2018 zijn hierin verwerkt.  

Het Frysk Melkskieppe Stamboek is al jaren een EU-erkend stamboek. Afgelopen jaar bleek dat een aantal punten inzake stamboekregistratie niet voldoende helder is geformuleerd. Deze nieuwe formuleringen zijn in dit document verwerkt.

Het vorige fokprogramma was tot stand gekomen, mede dankzij samenwerking met de NVPM. Er was ook een opzet gemaakt voor een paringssyteem, wat praktisch nog niet uitvoerbaar is gebleken.

Het doel van het fokprogramma is het structureel verbeteren van de melkproductie en verder verbeteren van exterieur bij melkschapen. Daarbij dient inteelt te worden voorkomen, inteelttoename mag niet hoger zijn dan 1% per jaar.

Het fokreglement dient te voldoen aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in het erkenningsbeleid van het RVO.

Punt 1. Het beoogde fokdoel

Het fokken van een gezond, duurzaam en hoogproductief melkschaap.

Gezondheid:

  • zonder erfelijke gebreken
  • goede vruchtbaarheid
     

Duurzaamheid:

  • hoge levensverwachting
     

Hoogproductief:

  • hoge melkproductie
  • goede melkbaarheid
  • kwalitatief goed uier
  • voldoende ontwikkelde spenen en goed geplaatst

 

Punt 2.  Stamboekreglement van Frysk Melkskieppe Stamboek

2.1.     Algemeen

Het Friese Melkschaap is een zeer oud ras en bestaat als zodanig al meer dan 1000 jaar.

Het is een goed ontwikkeld, evenredig gebouwd schaap. Het melktype treedt sterk op de voorgrond, wat tot uiting komt in de wigvorm.

Het heeft een matig diepe borst, de buik is goed ontwikkeld en heeft weinig wol.

De benen zijn krachtig, droog en hebben een goede stand.

De wol is over het algemeen kort en goed gestapeld, de kwaliteit is fijn.

De kop en poten zijn onbewold, evenals de lange (tot aan de hakken), dunne staart.

De kop is vrij lang met brede snuit, van de zijkant gezien is het neusbeen licht gebogen. De beharing van de kop is fijn en licht roomkleurig; bij zwarte Friese Melkschapen zwart. Bij sommige dieren komen halslellen voor.

De uier is goed ontwikkeld en fijn van structuur met voldoende ontwikkelde spenen naar onder geplaatst.

De vruchtbaarheid is hoog. Tweejarige en oudere ooien werpen gemiddeld 2,5 lammeren.

De vruchtbaarheid van de enters ligt rond de 1,9. Het geboortegewicht van de lammeren ligt op 4 à 5 kg.

Het Fries Melkschaap heeft goede moedereigenschappen, slechts zelden worden lammeren verstoten. Daarnaast heeft het een rustig en evenwichtig karakter.

Melkschapen worden overwegend gehouden voor de melkproductie. Ze hebben de hoogste melkproductie van alle schapenrassen en ze beschikken over een zeer lange lactatieperiode van 250 dagen of meer.

De melkproductie kan bij een goede voeding en verzorging ca. 500 kg per lactatie bedragen.

Friese melkschapen kunnen geregistreerd worden in het Frysk Melkskieppe Stamboek. Het stamboek is opgericht in 1908 en is hiermee het oudste schapenstamboek van Nederland. Het heeft tot doel het in stand houden en verbeteren van het Friese Melkschaap.

 

2.2.     Lidmaatschap

Het lidmaatschap voor het Frysk Melkskieppe Stamboek staat open voor een ieder die zich aanmeldt en een ieder wordt zonder uitzondering geaccepteerd.

Elk lid moet zich wel richten conform artikel 5 zoals vermeld in de statuten.

Punt 3. Stamboekregistratie

3.1 Stamboekhouder

Stamboekadministratie vindt plaats met behulp van een registratiesysteem en wordt bijgehouden door de stamboekhouder. De administratie voldoet aan de normen voor I&R/LNV en bijbehorende regelgeving.

In het Stamboek staan alle ooit aangemelde dieren geregistreerd en m.b.v. van deze database kunnen afstammingskaarten worden gegenereerd en kan voor een voorgestelde paring het inteeltpercentage worden berekend.

3.2.     Stallijst

Hierop staan de dieren van een bedrijf, zoals zij bij het Stamboek bekend zijn. Deze lijst wordt éénmaal per jaar in de maand oktober naar de leden verzonden ter controle. Op deze lijst vermeldt het lid dan welke ram(men) zijn ingezet voor de fokkerij en welke dieren door welke ram zijn gedekt. Deze ingevulde lijst wordt voor 31 december teruggestuurd naar de stamboekhouder.

3.3.     Geboortelijst

Deze lijst wordt in januari naar de leden gestuurd, met voor-ingevuld de ooien en de ram, waardoor zij gedekt zijn. Op deze lijst vult ieder lid de geboren lammeren in en stuurt deze voor 1 mei terug naar de stamboekhouder. Vervolgens worden de lammeren geregistreerd in het Stamboek.

3.4.     Mutatieformulier

Dit formulier wordt gebruikt om mutaties, zoals verkoop of afvoer door sterfte door te geven. Mutaties dienen binnen twee weken aan de stamboekhouder te worden doorgegeven. Altijd dient verkoop-/afvoerdatum, levensnummer van het dier, nieuwe eigenaar en reden vertrek te worden vermeld.

Indien gewenst kan bij verkoop van geregistreerde dieren een registratiekaart worden aangevraagd bij de stamboekhouder.

3.5.     Nummering, oormerken en registratieverplichting

De nummering geschiedt geheel volgens de normen van I&R. Elke eigenaar is hier zelf verantwoordelijk voor. Het gebruik van oormerken is verplicht. Elke fokker is verplicht zelf contacten met I&R en Gezondheidsdienst voor Dieren te onderhouden en is zelf verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens. Hobbymatige melkschapenhouders kunnen het Stamboek verzoeken deze administratieve taak op zich te nemen en de gegevens periodiek naar de Gezondheidsdienst voor Dieren te verzenden.

3.6.     Tarieven

Tarieven worden jaarlijks vastgesteld tijdens de jaarvergadering.

Punt 4. Indeling van het Stamboek

4.1 Algemeen

Alle Friese Melkschapen, die voldoen aan de rasstandaard, kunnen worden geregistreerd in het Frysk Melkskieppe Stamboek (FMS).

4.2 Rubrieken afgekeurde ooien, ooimoeders en rammoeders

Een geregistreerde ooi, waarvan de vader goedgekeurd is en de moeder minimaal geregistreerd is, kan na één keer aflammeren worden gekeurd volgens de algemene keuringskenmerken: ontwikkeling, type, beenwerk, speenplaatsing, speenvorm, uiervorm, kop, staart, wol en algemeen voorkomen. Voor ieder kenmerk geldt een minimum van 70 punten voor goedkeuring.

Beoordeling:

90 en meer uitmuntend          = A

85-89: zeer goed                      = AB

80-84: goed                             = B+

75-79: voldoende                     = B

70-74: matig                            = B-

Minder dan 70: onvoldoende =afgekeurd

 

Als een ooi is goedgekeurd aan de hand van de rasstandaard (zie punt 6 en 7) dan wordt deze geplaatst in de categorie rammoeders. Als een ooi één of meerdere zwarte vlekjes heeft, maar genetisch een aantoonbare meerwaarde heeft voor het Stamboek, dan kan zij alsnog geplaatst worden in de categorie rammoeders. Voorwaarde is dat de algemene beoordeling in ieder geval AB is en uiervorm, speenvorm en speenplaatsing in ieder geval B+ zijn. Als dit niet het geval is, komt de ooi in de categorie ooimoeders terecht.

Wordt een ooi afgekeurd op grond van de rasstandaard (bijv. wit in de ogen of geheel gevlekte kop), dan komt zij terecht in de categorie afgekeurde ooien, met reden voor afkeuring. In deze categorie komen ook de dieren met een erfelijk gebrek terecht (bijvoorbeeld verkorte onderkaak, lijfbieden). Fokkers wordt uitdrukkelijk geadviseerd niet door te fokken met dieren uit de rubriek afgekeurde ooien.

4.3 Categorie goedgekeurde rammen

Een geregistreerde ram, waarvan de vader goedgekeurd is en de moeder rammoeder is, kan op de leeftijd van ca. 6 maanden worden gekeurd: ontwikkeling, type, beenwerk, kop, staart, wol en algemeen voorkomen. Als een ram is goedgekeurd, komt deze terecht in de categorie goedgekeurde rammen. Bij afkeuring komt de ram terecht in de categorie afgekeurde rammen, met reden voor afkeuring.

Leden wordt nadrukkelijk geadviseerd te fokken met goedgekeurde rammen.

4.4 Hulpboek

Dit is een aanvullende sectie, die niet valt onder de hoofdsectie.

Als van een dier de vader en de moeder niet bekend zijn, dan kan dit dier worden geplaatst in deze aanvullende sectie hulpboek. Met nakomelingen kan dan worden verder gefokt, zoals met de overige geregistreerde ooien. Deze nakomelingen komen dan na de derde generatie weer in de hoofdsectie.

4.5 Nakomelingen van een afgekeurde vader of afgekeurde moeder

Deze dieren worden geregistreerd in het stamboek in de hoofdsectie, in een nieuwe categorie niet goedgekeurde ouders. Fokkers wordt nadrukkelijk geadviseerd pas nakomelingen van de derde generatie van niet goed gekeurde rammen weer in te zetten voor de fokkerij.

4.6 Inteelt beperken

Bij de inzet van rammen wordt nadrukkelijk geadviseerd een inteeltberekening te laten doen om te voorkomen dat de toename van het inteeltpercentage hoger wordt dan 1% per jaar.

De fokkers kunnen dit laten berekenen bij de stamboekhouder. Indien noodzakelijk kan een beperking worden opgelegd aan het aantal dekkingen door één ram.

Jaarlijkse inteeltberekening van de totale populatie wordt uitgevoerd in het registratiesysteem. De  totale toename van het inteeltpercentage mag jaarlijks niet meer zijn dan 1%.

4.7Erfelijke gebreken

Fokkers zijn verplicht om erfelijke gebreken, zoals wit in het oog, over- of onderbeet, lijfbieden in het 1e of 2e levensjaar, te melden bij de stamboekhouder. Er wordt nadrukkelijk geadviseerd om met deze dieren niet te fokken.

4.8 Borging verantwoordelijkheid uitvoering en overeenstemming prestatiekenmerken vs fokdoel en fokwaardeschatting

Exterieurkeuringen worden verricht door twee personen, volgens de lijst van keuringskenmerken; de resultaten worden vermeld op het afstammingsbewijs.

Er wordt tijdens de thuiskeuringen/bedrijfsinspecties gecontroleerd op erfelijke gebreken. Deze moeten ook te allen tijde worden doorgeven door de schapenhouder en geregistreerd worden door de stamboekhouder.

Punt 5. Keuringen

5.1 Thuiskeuring/bedrijfsinspecties

Regulier vindt thuiskeuring plaats in de maanden juli en augustus. In deze tijd zijn de jonge rammen volgroeid en kunnen gekeurd worden. Ooien kunnen dan ook direct gekeurd worden. In de nieuwsbrief wordt aangegeven voor welke datum aanmelding voor de thuiskeuring dient te geschieden, opdat een planning gemaakt kan worden voor de keuringen.

Buiten de reguliere thuiskeuring kan op afspraak gekeurd worden, als de lammeren bijvoorbeeld gespeend worden.

Als de ooien gekeurd worden dienen ze een voldoende volle uier te hebben om uiervorm en speenplaatsing goed te kunnen beoordelen.

De dieren moeten geschoren zijn als ze worden gekeurd, maar wel bij voorkeur ca. 6 weken voor de keuring, opdat de wol goed beoordeeld kan worden.

Tijdens de thuiskeuringen vindt ook de bedrijfsinspecties plaats. Tijdens dit inspectiebezoek vindt er een controle plaats op registratie en identificatie.

In geval van twijfel betreffende afstamming kan het bestuur DNA-onderzoek laten verrichten op kosten van de eigenaar.

5.2 Erkende melkschapenstamboeken

Erkende melkschapenstamboeken zijn het Duitse en het Oostenrijkse melkschapenstamboek. Dieren uit deze stamboeken kunnen onverkort worden ingeschreven in het Frysk Melkskieppe Stamboek, mits zuiver gefokt en drie generaties aantoonbaar (middels  een afstammingsbewijs) geregistreerd. In geval van twijfel betreffende afstamming kan het bestuur DNA-onderzoek laten verrichten op kosten van de eigenaar. Bij gevallen van twijfel besluit de inspecteur.

Punt 6. Rasstandaard Fries Melkschaap, wit

  • Algemeen voorkomen:

Goed ontwikkeld, evenredig gebouwd, niet grof, iets gerekt, wigvormig en melktypisch. De kleur van het dier is volledig wit.

  • De kop:

Onbewold met zijdeachtig haar, roomkleurig, brede kale snuit, rose neus. Van terzijde gezien het neusbeen licht naar voren gebogen, bij rammen iets meer dan bij ooien. De oren lang en breed en in iets opgerichte houding gedragen. Zwarte vlekjes (bij vaderdieren) zijn reden tot afkeuren. Voor rammoeders kan een uitzondering worden gemaakt, wanneer zij de fokkerij aantoonbaar positief kunnen verrijken. Voor de eisen die hieraan gesteld zijn, zie punt 4.2. Dieren met geheel gevlekte of geheel bruingekleurde (vossige) koppen moeten worden afgekeurd, evenals dieren met geheel of gedeeltelijke witte ogen of met horens.

  • De hals:

Iets gerekt, doch goed aansluitend bij de voorhand, bewold (ook de keel). De aanwezigheid van halslellen is een pré.

  • De voorhand:

Voldoende ruim ontwikkeld, niet te zware en te diepe borst, de schouder goed aangesloten.

 

  • De middenhand:

Ruim met goede buikontwikkeling, wigvormig aansluitend bij de voorhand, sterke bovenbelijning met goede aansluiting bij de lendenen.

  • De achterhand:

Kruis breed en voldoende lang, iets hellend (doch niet afhangend), dijen aan de binnenzijde weinig bespierd.

  • De staart:

Lange, geheel onbewolde, rechte staart, reikend tot aan de hak. Dieren met bewolde en/of zeer korte staart (15 cm boven de hak) worden afgekeurd.

  • Het beenwerk:

Krachtig met goede stand, niet te grof, onbewold, met scherpe afscheiding van haar naar wol. Blanke hoeven. Dieren met geheel bonte of geel-bruine (vossige) benen worden afgekeurd.

  • De wol:

De vacht goed gestapeld, regelmatig en goed van kwaliteit. Weinig buikwol. Harige en te losse vacht, evenals bewolde zak (uitgezonderd jonge rammen) of bewolde uier en/of wolkuif op de kop leiden tot afkeuring.

  • De uier:

Een fijne, goed ontwikkelde, voldoende aangesloten en goed geplaatste uier. De uierhelften gelijk ontwikkeld, de spenen voldoende ontwikkeld en naar beneden gericht. De uier niet bewold en bij voorkeur zonder gekleurde vlekken.

Punt 7. Rasstandaard Fries Melkschaap, zwart

  • Algemeen voorkomen:

Goed ontwikkeld, evenredig gebouwd, niet grof, iets gerekt, wigvormig en melktypisch.

 

  • De kop:

Onbewold met zijdeachtig haar, brede kale snuit, zwarte neus. Van terzijde gezien het neusbeen licht naar voren gebogen, bij rammen iets meer dan bij ooien. De oren lang en breed en in iets opgerichte houding gedragen. Witte vlekjes (bij vaderdieren) aan de kop zijn reden tot afkeuren. Voor rammoeders kan een uitzondering worden gemaakt, wanneer zij de fokkerij aantoonbaar positief kunnen verrijken. Voor de eisen die hieraan gesteld zijn, zie punt 4.2., vergelijkbaar met witte schapen. Dieren met geheel gevlekte, bonte koppen moeten worden afgekeurd, evenals dieren met geheel of gedeeltelijke witte ogen of met horens.

  • De hals:

Iets gerekt, doch goed aansluitend bij de voorhand, bewold (ook de keel). De aanwezigheid van halslellen is een pré.

  • De voorhand:

Voldoende ruim ontwikkeld, niet te zware en te diepe borst, de schouder goed aangesloten.

  • De middenhand:

Ruim met goede buikontwikkeling, wigvormig aansluitend bij de voorhand, sterke boven belijning met goede aansluiting bij de lendenen.

  • De achterhand:

Kruis breed en voldoende lang, iets hellend (doch niet afhangend), dijen aan de binnenzijde weinig bespierd.

  • De staart:

Lange, geheel onbewolde, rechte staart, reikend tot aan de hak. Dieren met bewolde en/of zeer korte staart (15 cm boven de hak) worden afgekeurd.

  • Het beenwerk:

Krachtig met goede stand, niet te grof, onbewold met scherpe afscheiding van haar naar wol. Zwarte hoeven. Dieren met geheel bonte benen worden afgekeurd.

  • De wol:

De vacht goed gestapeld, regelmatig en goed van kwaliteit. Weinig buikwol. Harige en te losse vacht, evenals bewolde zak (uitgezonderd jonge rammen) of bewolde uier en/of wolkuif op de kop leiden tot afkeuring.

  • De uier:

Een fijne, goed ontwikkelde, voldoende aangesloten en goed geplaatste uier. De uierhelften gelijk ontwikkeld, de spenen voldoende ontwikkeld en naar beneden geplaatst. De uier niet bewold.

Punt 8. Bijlagen

Onderstaande bijlagen zijn tot stand gekomen uit een samenwerking van Henk Slaghuis en de NVPM. Ze kunnen dienen als leidraad voor ontwikkeling in de toekomst.

 

  • Bijlage 8.1.

Aanbevolen selectieregime voor het fokken op terugdringen TSE-gevoeligheid bij schapen

Het stamboek adviseert:

  • Gebruik geen ooien of rammen met enkel of dubbel-VRQ
  • Gebruik ooien met minimaal enkel ARR en rammen dubbel-ARR
  • Inzetten van fokdieren met het genotype ARQ, AHQ of ARH is aan de fokker.

 

  • Bijlage 8.2.

Fokdoel melkproductie en overige eigenschappen

Het fokdoel voor de melkproductie voor tweejarige en oudere schapen is:

                                   Kg melk/jaar             % Vet             % Eiwit

Bij aanvang:                500                         5,80                5,00

Na 5 jaar:                     700                         6,00                5,20

De registratie van de melkproductie dient te voldoen aan de geldende voorschriften van het International Committee for Animal Recording (ICAR).

Het is jammer, dat er op dit moment weinig bedrijven zijn die èn lid zijn van het Stamboek èn mee doen aan de melkcontrole. Op deze manier is de betrouwbaarheid van de resultaten niet groot.

Overige eigenschappen:

Het fokdoel exterieur is in overeenstemming met de rasstandaard van het Fries Melkschaap. Daarbij is ruimte voor dieren met een zwart vlekje, mits het dier foktechnisch een aanwinst is voor de fokkerij (zie voor de voorwaarden punt 4.2.).

Fokkers wordt nadrukkelijk geadviseerd rammen te selecteren met in ieder geval een goede beoordeling, met een rammoeder met ook een tenminste goede beoordeling voor de diverse kenmerken. Het doel is, dat het aantal dieren in de categorie AB-beoordeling toeneemt en dat het aantal afgekeurde dieren afneemt.

 

De melkbaarheid van elk dier kan als volgt worden beoordeeld:

Er zijn drie klassen: A.        Goed                          melkt goed uit zonder hulp

                                   B.        Gemiddeld                melkt matig uit zonder hulp

                                   C.        Slecht                        melkt niet goed uit zonder hulp

                                                                                  

  • Bijlage 8.3. Fokwaarde

 

Zoötechnische prestaties

Op basis van melkanalyse-gegevens en exterieurmetingen is het mogelijk om vooruitgang van de fokwaarde van melkschapen te meten.

Voorschriften m.b.t. wijze van uitvoering van onderzoek.

Onderzoek naar melkgegevens kan alleen worden uitgevoerd op basis van analyseresultaten van een gecertificeerde melkmeting.

Voorschriften m.b.t. beoordeling van de genetische waarde van de dieren.

Fokwaardeschatting kan gedaan worden door de Animal Science Group op basis van melkgegevens, kg melk en vet/eiwitmeting.

De verwerking van de gegevens zal geschieden door Fokwaarde +.

  • Bijlage 8.4. Paringssysteem

 

De resultaten van fokkerij worden bepaald door het paringssysteem, dus welke rammen dekken welke ooien. De resultaten worden voorts sterk bepaald door het selectieprogramma, gericht op het fokdoel.

Goede resultaten van een fokprogramma kunnen voorts verloren gaan, wanneer niet voorzien wordt in een goede organisatie.

Het paringssysteem dient gericht te zijn op instandhouding van de fokkerij op lange termijn, zo mogelijk zonder bloedtoevoer van buiten, dus een gesloten foksysteem. Een gesloten foksysteem heeft het voordeel dat de fokkerij en de fokproducten fokzuiverder worden en beter voorspelbare resultaten geven.

Bij de fokkerij op lange termijn hoort voorts een paringssysteem dat ongewenste inteelt en inteelttoename in de populatie voorkomt.

Voorts dient er voor gewaakt te worden dat er voldoende genetische variatie behouden blijft. Dit is nodig om blijvend effectief te kunnen selecteren.

Functie van de rammen 

Aan de mannelijke fokdieren wordt gewoonlijk een zeer grote waarde toegekend, omdat het mannelijke fokdier nu eenmaal een aanzienlijk groter aantal nakomelingen verwekt dan een vrouwelijke fokdier.

Het bereiken van resultaat in de fokkerij wordt vooral bereikt door de selectie van de rammenmoeders, en daarmee de rammen, afgestemd op het fokdoel en het gehalte van de rammenmoeders.

Voor de opzet van een paringssysteem dat voldoet aan de bovengenoemde eisen moet de fokkerij ingedeeld worden in:

  • bloedlijnen- opeenvolgende generaties van mannelijke dieren;
  • fokfamilies- opeenvolgende generaties van vrouwelijke dieren;
  • handhaving van een tiental mannelijke bloedlijnen.

Het toepassen van een roterend dekschema met uitwisseling van fokrammen biedt mogelijkheden de fokkerij zo in te richten dat continuïteit op lange termijn gewaarborgd is.

Hieronder zijn twee voorbeelden uitgewerkt van een roterend dekschema met uitwisseling van fokrammen:

Aantal deelnemende bedrijven     :     4

Aantal fokooien                             :  800

Aantal dekrammen                    :    12

Beschikbare rammenlijnen 12, geïdentificeerd of benoemd met de letters A t/m L.

De rammen worden op 1.5 jarige leeftijd ingezet.

Dekschema I

Jaar             Bedrijf 1                         Bedrijf 2                  Bedrijf 3                 Bedrijf 4

2010             A + B + C                    D + E + F                G + H+ I                    J + K + L                      

2011             J  + K + L                    A + B + C                D + E + F                  G + H + I     

2012             G + H + I                     J + K + L                A + B + C                D + E + F

2013             D + E + F                   G + H + I               J + K + L                  A + B + C

2014             A + B + C                    D + E + F              G + H + I                 J + K + L

2015             J + K + L                     A + B + C              D + E + F                 G + H + I

 

Jaarlijks worden tussen de deelnemende bedrijven drie rammenlijnen uitgewisseld.

Dekschema II:  minder ingrijpend is het volgende

Jaar                Bedrijf 1                   Bedrijf 2                   Bedrijf 3                     Bedrijf 4

2010              A + B + C                 D + E + F                 G +  H + I                J + K + L

2011              L + A + B                  C + D + E                F + G + H                I + J  + K

2012              K + L + A                   B + C + D                 E +  F + G               H + I +  J  

2013              J  + K + L                  A + B + C                 D + E + F                 G + H + I

2014              I  + J +  K                  L + A + B                C + D + E                 F + G +H

2015              H + I +  J                   K + L + A                  B + C + D                 E + F + G

Jaarlijks wordt tussen de deelnemende bedrijven één rammenlijn uitgewisseld

De rammenlijnen worden gedurende twee dekseizoenen ingezet.

Bij een dergelijk uitwisselingsprogramma is een continu hoge gezondheidsstatus van de deelnemende bedrijven wel vereist.

Het toepassen van KI kan in dit verband ook perspectieven bieden, bovenstaande schema’s kunnen hier ook voor worden gebruikt.

Selectieprogramma

Selectie vindt plaats op verschillende kenmerken en stadia. De selectie van de rammenmoeders is zeer bepalend voor de resultaten die worden bereikt in de fokkerij. De selectie van de rammenmoeders is afgestemd op het fokdoel. De productie zal centraal moeten staan: de melkgift, het vet -en eiwitgehalte. Alle drie kenmerken moeten boven het bedrijfsgemiddelde scoren. Dus geen rammenmoeders met een extreem hoge melkgift en te lage gehalten en omgekeerd. Evenwicht is belangrijk, zodat er niet steeds één of twee eigenschappen gecompenseerd moeten worden.

Bij de keuze van de rammenmoeders zullen de gebruikseigenschappen ook veel aandacht moeten hebben: duurzaamheid, melkbaarheid, mastitisgevoeligheid, wormgevoeligheid en karakter.

Uiteraard is de levensduur en het aantal lactaties van grote betekenis bij de opzet van een gezonde, duurzame fokkerij.

Uitsluitend sterke, gezonde ooien kunnen langdurig en probleemloos produceren

Een belangrijk kenmerk is de groei van de lammeren. Het is daarom aan te raden de lammeren te selecteren op een leeftijd van vier tot vijf maanden met behulp van een weeg- scanprogramma. Hiermee kan gericht worden geselecteerd op voldoende bespiering. Gewicht en voldoende bespiering zullen de functionaliteit van de ooien ten goede komen.

 

Alleen een gezond sterk dier kan snel en efficiënt groeien

Het Friese melkschaap is van nature zeer vruchtbaar. Dit kenmerk moet gekoesterd worden, omdat het er naar uitziet, dat ooien die meerlingen werpen ook beter produceren. Bovendien valt er met grotere worpen meer te selecteren.

  • Bijlage 8.5. Organisatie van de fokkerij

Fokkerij-inspanningen en -resultaten dienen goed benut te worden door de deelnemers aan het fokprogramma. Hiervoor dient een passende organisatiestructuur opgebouwd te worden.

Het meest voor de hand liggend is een gelaagde opbouw van de fokkerij met:

  • deelnemende fokkers, bedrijven met een volledige stamboekadministratie en melkcontrole, die uitgangsmateriaal fokrammen en eventueel ook ooien leveren aan deelnemers aan het fokprogramma;
  • deelnemende bedrijven, die fokrammen afnemen;
  • deelnemende bedrijven, die zowel fokrammen, als fokooien afnemen;
  • deelnemende bedrijven, die alle ooien aankopen en uitsluitend dekken met een vleesram;
  • bedrijven, die wel fokmateriaal willen afnemen, maar niet deelnemen aan het programma.

 

  • Bijlage 8.6. Financiering

Deelnemende fokkers hebben extra kosten voor de fokkerij en voor de hygiëne en het bewaken van de gezondheidsstatus.

  • De fokkers ontvangen een vergoeding voor deze kosten boven de kostprijs van de fokrammen en de fokooien en een vergoeding voor de genetische waarde;
  • Deelnemers, die fokrammen en fokooien afnemen betalen de fokkerijvergoeding en een vergoeding of licentie voor de financiering van het programma;
  • Afnemers van fokmateriaal, die niet aangesloten zijn bij het fokprogramma betalen extra of dubbele licentie;
  • Voor fokmateriaal voor export wordt ook een extra licentie berekend;
  • Kostprijzen en hoogte van de licenties worden vastgesteld door een commissie bestaande uit fokkers en overige deelnemers aan het programma.

 

  • Bijlage 8.7. Technisch jaarverslag

Om de ontwikkeling van het fokprogramma en de fokkerij te kunnen volgen zijn meetpunten belangrijk. Jaarlijks wordt een technisch verslag uitgebracht, waarin zichtbaar gemaakt wordt hoe de fokkerij, de gemiddelde productie en de productie van de deelnemende bedrijven zich ontwikkelen.